Étiquette : Autre

Pour ceux qui ne sont pas encore dans un gasap…: « l’info GASAP »

Date de la prochaine rencontre: le jeudi 20 février, 19h, salle de la « Maison Jaune », place Cardinal Mercier, 1, 1090 Jette

[*Vous vous posez des questions sur votre alimentation ?*]
[**Vous voulez en savoir plus et soutenir sur l’agriculture paysanne ?*]
[*Vous cherchez plus qu’un panier-bio ?*]

Vous êtes nombreux à avoir manifesté votre intérêt pour consommer autrement, ne pas rester de simple consommateurs et vous impliquer dans la création d’un nouveau GASAP Cela promet un chouette démarrage pour notre projet commun. Le réseau des Gasap (www. Gasap.be) organise une série de rencontre info-gasap :

 Le mercredi 20 novembre au Micro-marché, 1000 Bruxelles

 Le mardi 17 décembre au Pianofabriek, 1060 Saint Gilles

 Le 20 février 2013, salle de la « Maison Jaune », place Cardinal Mercier, 1, 1090 Jette

 Le 20 mars 2013, à la gare de Watermael, 1170 Watermael-Boitsfort ‎
Comme vous le savez, faire partie d’un GASAP est bien plus que « consommer un panier bio ». Nous vous informerons du fonctionnement concret d’un GASAP, avec les engagements de chacun … tout en sachant que nos GASAP deviendront ce que nous voulons qu’ils deviennent.

Programme du jeudi 20 février, 19h-20h30:

 D’où venez-vous?, et que savez-vous des GASAP ?

 Valeurs, fondations et fonctionnement des GASAP

 Séparation en quartiers pour boire un verre.

Tagged with:

Foin

Bonjour,

je suis membre (et concierge en plus) du gas schaerbionik et suis à la recherche (pour les pauvres petits rongeurs que mes enfants nous ont fait adopter), de foin ou paille par ballots ( de12 à 15 kg) qu’on paye à la ferme 1 ou 1,5 euros contre un prix de 2 euros du kg en magasin (du 3000%)! S’il y a un point de dépôt à bxl ou un transport ponctuel existants, je ma joindrais bien. Certes, c’est pour des cacahuètes car en dépensant 4 euros je serais tranquil pour un an … à défaut, sacs colruyt après sacs , ça me coûterait à peu prés 120 euros !!!

J’ai fini mon ballot et ait du me fournir dans le commerce il y a quelques jours, c’est un peu pénible.

Je ne suis pas motorisé mais ait un permis et une adresse de fourragé sympa mais loin. Pour 1 ballot, ça vaut pas tant le coup que pour pour + …

Merci de me tenir au courant ou de prendre contact pour toutes infos.

JP Domb

Tagged with:

Het gevaar van bio-energie en andere ficties rondom de voedselcrisis

Jan Douwe Van der Ploeg brengt zijn eerste boek uit: « The New Peasantry ». Het boek bekijkt de huidige landbouwsituatie in de wereld vanuit verschillende perspectieven. Hieronder een recentelijk gepubliceerd essay over het debat rond bio-brandstoffen. Het is analyse die we jammer genoeg zelden horen, maar die uiterst pertinent is. Een echte aanrader!

Verstoor de markt niet, hoor je vaak in analyses van de voedsel- crisis. Maar daarbij wordt vaak voorbijgegaan aan de verstorende rol die grote voedselimperia spelen. Stijgende voedselprijzen, nieuwe schaarsteverhoudingen en voedselrellen vormen een ware hype waarbij de diagnoses over elkaar heen buitelen. Waar iedereen het over eens lijkt te zijn is dat de markt niet mag worden verstoord. En dat terwijl de internationale landbouwmarkten al permanent verstoord zijn. In deze hype vormen biobrandstoffen de little devil die staat voor honger, voedselrellen, hoge prijzen, inflatie, nieuwe handelsbeperkingen, een leeg gekapte Amazone en veel ethisch ongemak. Bio-energie staat opeens voor iets dat niet hoort: het steelt als het ware het voedsel van het bord van de arme medemens. Een dergelijke opvatting is hooguit gedééltelijk juist – voor een heel klein deel. Maar het is wel een comfortabele opvatting. Waar ze postvat hoeven de echte dramas niet meer te worden belicht.

Op wereldniveau wordt hooguit 2 procent van het totale landbouwareaal gebruikt voor bio-energie. Dat kan onmogelijk de algemene prijshausse van nu verklaren. Daar komt bij dat bio-energie beslist niet een nieuw fenomeen is. In Brazilië bijvoorbeeld wordt al decennialang suikerriet geteeld voor de productie van ethanol dat verplicht wordt toegevoegd aan benzine. Meer in het algemeen gesproken: de landbouw levert al eeuwen lang zowel voedsel- als zogeheten non-foodproducten. Als we nu schande spreken van bio-energie dan zouden we achteraf ook de teelt van bijvoorbeeld katoen ernstig moeten veroordelen. Of nog erger: de teelt van voedergewassen voor trekvee. Dat is in grote delen van de wereld nog steeds een vorm waarmee de landbouw een belangrijk deel van de energie produceert die ze zelf behoeft. Hetzelfde geldt voor honger. Daar wordt nu opeens schande van geroepen. De echte schande is natuurlijk dat de wereld tien jaar geleden al 850 miljoen hongerende mensen kende en dat, ondanks alle retoriek, dat aantal nog steeds op hetzelfde niveau ligt. Hypes worden niet gehinderd door enig geheugen.

Natuurlijk gaat er van het perspectief dat bio-energie belangrijk gaat worden een opwaartse druk uit op de prijs van de benodigde gewassen. Maar die opwaartse druk is slechts één van de vele factoren die meespelen. Minstens zo belangrijk zijn de sterk geslonken graanvoorraden. Die zijn op wereldniveau de afgelopen jaren voortdurend verder gezakt en bevinden zich thans op een onverantwoord dieptepunt. Relatief kleine verstoringen kunnen daardoor grote gevolgen hebben. Ook het gemis aan tweedegeneratietechnologieën (waarmee restproducten worden omgezet in bio-energie) speelt vooralsnog een grote rol. Daar kan de wereldwijde afbraak van landbouwpolitieke buffers en nieuwe speculatiegolven aan worden toegevoegd. Ziedaar de ingrediënten van een explosieve situatie die zich vertaalt in een aantal zorgwekkende verschijnselen.

Gezien die complexe achtergrond is de identificatie van bio-energie als het zwarte schaap al te simplistisch. Maar nogmaals, het is wel comfortabel. Wie, zoals de Engelse premier Gordon Brown (en na hem nog vele anderen) de bio-energie duidt als het grote kwaad, die kan zwijgen over de effecten van de neo-liberale herordening van landbouwproductie en voedselmarkten – een herordening die juist in het Engeland van Thatcher, Blair en Brown een sterke drijfkracht had en die de wereld al eerder fraaie dingen als de gekkekoeienziekte opleverde. Het richten van de beschuldigende vinger naar bio-energie heeft nog een ander voordeel. Het zijn ánderen die er élders iets aan moeten doen (bijvoorbeeld Lula die in Brazilië het roer om zou moeten gooien). Europa treft kennelijk geen enkele blaam.

Tegenover degenen die alarm slaan staan de deskundigen die rituele bezweringen uitspreken. Het zijn de bezweringen die elke keer als er wat misgaat weer opduiken. Ze zijn ritueel: ze worden uitgesproken ongeacht de precieze aard van het probleem en dienen veelal een doel dat anders is dan wat wordt gezegd. In essentie komen de bezweringen erop neer dat er potentieel meer dan voldoende kan worden geproduceerd, als er maar voldoende geld komt voor landbouwkundig onderzoek. Of, het is een stijlbloempje dat in het Nederlandse debat naar voren kwam, als er maar genetisch gemodificeerde gewassen mogen worden geteeld. Dan komt alles weer goed.

Het is waar dat er gigantische mogelijkheden zijn om de landbouwproductie op wereldniveau (inclusief de teelt van bio-energie) verder op te voeren. Het drama is echter dat we voortdurend inzetten op drie factoren die elkaar tegenwerken. Wat aan de ene kant wordt opgebouwd, wordt aan de andere kant weer net zo hard tenietgedaan.

De drie factoren zijn het terugdringen van de boerenlandbouw, het in stand houden van de wereldmarkt en de opkomst van nieuwe voedselimperia. Als deze elementen serieus in de analyse worden betrokken dan blijkt dat het bepaald niet zomaar goed komt. Integendeel, het lijkt er op dat het alleen maar erger gaat worden.

Ten eerste de boerenlandbouw, helaas geen pleonasme, want naast de, zeg maar, klassieke landbouw die door boeren wordt bedreven, zijn allerlei nieuwe vormen van landbouwbeoefening ontstaan. Ondernemerschap is daarbij meestal het sleutelwoord. Ondernemerslandbouw is landbouw die sterk op de markt is georiënteerd en die wordt gekenmerkt door doorgaande expansie, vaak gefinancierd met leningen en mogelijk gemaakt door nieuwe technologieën. Zo ontstaan grote agrarische ondernemingen die indrukwekkend ogen.

Maar schijnt bedriegt. Grote ondernemingen vervangen vaak tien kleinere die samen meer opbrachten. Mexico biedt daarvan op dit moment dramatische voorbeelden. Grote extensieve veeondernemingen laten grote kuddes los, zonder er veel naar om te kijken. Ze nemen de plaats in van kleine boerenbedrijven, die, hoewel ze kleinschaliger waren en intensiever, wel relatief meer opbrachten. De productiewaarde per hectare grond daalt daarmee van zon 4000 pesos per hectare naar een schamele 500. Zo verarmt de streek.

Hetzelfde gebeurt in Equador met de aardappelproductie. In het kader van vooruitgang maken klassieke en duurzame praktijken plaats voor nieuwe technologische pakketten, die minder productief zijn en bovendien veel meer bestrijdingsmiddelen behoeven.

Soortgelijke tendensen zijn gedocumenteerd voor Europa. Koeien gaan veel minder jaren mee dan vroeger. De efficiëntie van kunstmestgebruik is in de loop der jaren drastisch gedaald. Dit zijn allerlei vormen van contraproductiviteit die de vooruitgang, die ook wordt geboekt, vaak ten dele en soms zelfs helemaal teniet doen.

Daar komt nog een tweede punt bij. Juist omdat de ondernemerslandbouw zo sterk op de markt georiënteerd is, zien we bij aanhoudend lage prijzen een opmerkelijk en geheel nieuw fenomeen: de grootschalige bedrijven stoppen ermee, iets wat in de boerenlandbouw, van oudsher en ondanks alle problemen de drager van voedselzekerheid, nooit voorkomt. Iedereen die door Zuid-Amerika, Afrika en of Azië heeft gereisd kent het verschijnsel van de lege kippen- of varkensstallen. Op deze manier wordt de stabiliteit van de voedselaanvoer van binnenuit ernstig bedreigd. Overigens doet dit verschijnsel zich ook in Europa voor; het is alleen minder zichtbaar. De stabiliteit van de boerenlandbouw, en daarmee de continuïteit van de voedselvoorziening is sinds het midden van de jaren 90 in snel tempo verslechterd.

In het neoliberale voedselregime dat zich vanaf dan steeds meer afbakent, geldt de wereldmarkt als ordenend principe. Goedbeschouwd is dat merkwaardig in een wereld waarin, ook nu, hooguit een 15 procent van de totale wereldvoedselproductie daadwerkelijk een nationale grens passeert en daarmee deel van die veronderstelde wereldmarkt wordt. Het meeste voedsel wordt geconsumeerd niet ver van de plaats waar het is geproduceerd.

Met het neoliberale project (en de daarmee samenhangende ontmanteling van landbouwpolitieke stelsels) wordt evenwel gepoogd al die stromen, ook en vooral de lokale, te onderwerpen aan één en hetzelfde prijzenregime – en vooral: aan nieuwe machtscentra.

Tegelijkertijd ontstaan nieuwe circuits, die plaatsen van armoede verbinden met plaatsen van rijkdom. De asperges voor de Noordwest-Europese markt bijvoorbeeld worden in toenemende mate in de woestijnen langs de Peruaanse kust geproduceerd. Dat water daar schaars is doet er niet toe. Het schaarse water wordt, verpakt als asperge, geëxporteerd. Dat kan omdat land, en vooral arbeid er zo goedkoop zijn.

Een wereldmarkt en een wereldhandel die worden geordend met behulp van de neoliberale fictie kunnen niet anders dan ecologische wanorde, verspilling van energie en een permanente turbulentie opleveren. Turbulentie zoals we die nu meemaken en die allerlei onverwachte neveneffecten, als tijdelijke schaarste en abrupt stijgende prijzen, oplevert.

Al in de jaren 50 van de vorige eeuw waarschuwde Polayni dat het lot van land en mensen overlaten aan de markt, overeenkomt met de verwoesting ervan. Dat is precies wat we nu zien.

Met de opkomst van het neoliberalisme zijn nieuwe voedselimperia ontstaan. Dat zijn wereldwijd opererende netwerken, die in toenemende mate de productie, verwerking, distributie en consumptie van voedsel controleren.

Door het functioneren van deze netwerken, die steeds meer een monopoloïde macht verwerven, is de afstand tussen de prijs die consumenten betalen en de prijs die boeren ontvangen, gigantisch en op vaak onbegrijpelijke wijze gegroeid.

In veel Europese landen is de voedselindustrie in de afgelopen 25 jaar qua toegevoegde waarde méér gegroeid dan in welke andere industriële sector dan ook. De voedselindustrie is zo aantrekkelijk dat zelfs chemieconcerns besluiten om hun activiteiten te verleggen.

Voedselimperia vertegenwoordigen een ontzaglijke macht (die in het neoliberale raamwerk beduidend is vergroot). Voor boeren zijn ze in toenemende mate een onvermijdelijk afzetkanaal, voor veel consumenten zijn ze noodzakelijk om toegang tot voedsel te verkrijgen.

Tot voor kort was de voedselvoorziening op veel plaatsen in de wereld een publiek domein van eindeloos veel kleine producenten en een regulerende overheid. Dit publieke domein is in het afgelopen decennium razendsnel geprivatiseerd. De voedselvoorziening is nu een speelveld van nieuwe imperia die, als het nodig is, de markt met extra-economische macht naar hun hand kunnen zetten.

In het recente verleden zijn we getuige geweest van de ondergang van Parmalat en van de bijna-ondergang van de Ahold groep, twee belangrijke voedselimperia. Die episodes hebben niet alleen geleerd dat de nieuwe voedselreuzen soms voeten van leem hebben (waarmee ze bijdragen aan de fragiliteit van het systeem als geheel). Ze hebben ook duidelijk gemaakt dat het najagen van een hoge en snel groeiende cash flow de allesoverheersende maatstaf is.

Afgemeten aan deze nieuwe realiteit is een recent essay van Harriet Friedmann, een erkend deskundige op het gebied van internationale voedselregimes, tegelijkertijd correct en huiveringwekkend. De landbouw van deze wereld is niet meer in de allereerste plaats gericht op het voeden van de wereldbevolking, maar, zoals de titel van haar essay luidt, op het voeden van imperia.

De marginalisatie van de boerenlandbouw, het neoliberale project en de opkomst van voedselimperia vormen de coördinaten van een wereld waarin schaarste en overdaad, honger en obesitas, concurrentie om schaarse hulpbronnen en een gelijktijdige verkwisting zich allemaal en tegelijkertijd voordoen.

Het wordt er inderdaad niet beter op. In beginsel had de mogelijkheid van bio-energie kunnen leiden tot een aantrekkelijk versterking van de landbouw. Ook en wellicht vooral in de Derde Wereld. Binnen de gegeven coördinaten verzwakt de landbouw juist.

Toch is het goed om te bedenken dat we de alternatieven vlak onder handbereik hebben. Die draaien, in essentie, om het stimuleren van boerenlandbouw, het voeren van een verstandig landbouwbeleid en, bovenal, een eerlijke en duurzame ordening van internationale handelsstromen.

Een verstandige aanpak is ook zeer wel mogelijk voor de vermaledijde bio-energie. Want behalve de imperiale schemas waarin de voortbrenging ervan nu wordt geperst, zijn er andere, veel aantrekkelijker en efficiënter oplossingen. Bijvoorbeeld een gedecentraliseerd en flexibel systeem dat steunt op meerledige energieopwekking op het boerenbedrijf of in groepen van samenwerkende boerenbedrijven.

Benutting van afval en restproducten is daarbij de spil. Maar door de hype praat niemand meer over dergelijke, bij uitstek concrete alternatieven. De wrange ironie is dat er bovenal wordt gewaarschuwd tegen marktverstoring. Derdewereldlanden die landbouwexporten beperken, of zoals Argentinië op dit moment doet, extra belasten, om voor de eigen bevolking de voedselvoorziening veilig te stellen zouden de markt verstoren. Zo ook zou het stimuleren van een gedecentraliseerde opwekking van bio-energie marktverstorend zijn. Degenen die dit zeggen, bedoelen, dat de markt er enkel is ten behoeve van de nieuwe imperia. De ondernemerslandbouw verdrijft de boerenlandbouw De voedselimperia willen geen marktverstoring.


Jan Douwe Van der Ploeg is professor in de rurale sociologie aan de landbouwuniversiteit Wageningen. Zijn meest recente boek is « The New Peasantry . Struggles for autonomy and Sustainability in an Era of Empire and Globalization »

Tagged with:

Lettre à un interessé

Bonjour,

Nous espérons pouvoir créer une GAS, une GAC ou une AMAP sur notre commune. Nous nous interrogeons sur les différentes formules qui existent.

J’ai parcouru les différents sites internet qui en parlent et je me pose une question sur l’organisation de ces associations

Est-ce l’association qui achète aux producteurs locaux pour revendre les produits aux consommateurs ?

 Si oui, il s’agit d’une activité commerciale ! Est-ce compatible avec le fonctionnement et les statuts d’une asbl ? Quelle la position de la loi belge en la matière ? Les commerçants « non-bio » du voisinage ne risquent-ils pas de considérer l’action des GAS comme une forme de concurrence déloyale ?

 Dans la négative, comment est-il possible de « lier » les consommateurs, par un contrat d’engagement, avec 4, 5 voire une dizaine de producteurs différents ? Si plusieurs producteurs, fournisseurs du GAS, proposent des produits similaires, comment organiser les commandes et gérer les conflits éventuels ?

Je sais que l’AMAP qui est la plus proche de notre commune, fonctionne sur le mode d’un contrat d’engagement de chaque consommateur avec un producteur. Mais ils ne proposent que des légumes et ne travaillent qu’avec un seul producteur ! On ne peut quand même pas faire signer un contrat entre chaque consommateur et chaque producteur !?

Merci d’éclairer ma lanterne.

Amicalement,
Y D

– – –

Bonjour ,

Je suis Mathieu , mangeur à travers un des GAS de Bruxelles. Permets
moi d’éclairer ta lanterne!

Le but central d’un GAS comme on le conçoit à Bruxelles et dans les
AMAP en France est de soutenir ou être solidaire de ou maintenir
(question de vocabulaire) des petits paysans locaux à échelle humaine
et le plus écologique possible. Nous, mangeurs, savons qu’ils ont sur
le dos les banques, les syndicats agricoles dominants, les
pesticides chez le voisin, le marché mondial, l’AFSCA, les directives
européennes, le climat détraqué,..

Si on ne s’approvisionne pas directement chez eux, ils disparaîtrons
et puis on ira au snack!

La devise, c’est l’achat directe sans intermédiaire et une certaine
continuité via un contrat. Les AMAP même si elles ont la
dénomination « association » (qui dans notre pays veut presque dire
entreprise rentable) sont en fait juste la réunion de mangeurs avec un
ou des paysans « de famille ». Il existe une association 1901 ou
asbl qui chapeaute les AMAP en France mais leur but est non lucratif
puisqu’ils font juste la promotion de ce mode de « vie » et sa mise en
réseau.

Même chose à Bruxelles, Kari et moi avons lancé une association qui
est l’initiatrice des GAS de Bxl. l’ASBL ne s’occupe pas de la vente.
Cela se passe entre chaque citoyen mangeur et son fermier de famille.
Les contrats, le fonctionnement de ces groupes et même la mise en
réseau sont autogérés par les membres et les paysans.

Je sais que la revente de produit agricole fait vivre des gens…mais
si c’était mieux organisé, des produits plutôt locaux et une plus
grande marge pour celui qui produit, pourquoi pas.

En ce qui concerne les contrats, oui chaque membre signe un contrat
avec le paysan.

Nous avons qu’un contrat avec le maraicher pour l’instant mais un
contrat va s’envisager avec Bernard et Valérie qui nous fournissent
leur fromages et agneaux.

Ça fait bcp de contrats mais pas s’ils sont gérer individuellement ou
par petit groupe.

Un groupe compte entre 10 et 30 familles (optimum 15) pour une bonne autogestion et de la convivialité.

Pour ce qui est du problème de concurrence entre producteurs,
personnellement je n’en vois pas puisqu’il n’y pas du tout assez
d’offre pour fournir le nombre croissant de personne désirant faire
partie d’un de ces groupes. Si c’était le cas, j’appellerais à
l’autogestion, les consomm’acteurs et les paysans.

Le but des GAC plus anciens n’était pas le même à la base puisque il
s’agissait de grouper des commande entre autre chez des producteurs
locaux pour avoir les produits moins cher. Cependant ils commencent à
se rapprocher petit à petit de l’idée de soutien au producteur
notamment via le contrat local. Mais cela ne transparaît pas dans le
nom, groupe d’achat commun.

En espérant avoir répondu à vos questions et en vous invitant à en
poser d’autres si besoin et à venir nous voir à Bruxelles autour d’une
petite bière locale et artisanale pour plus d’info pratique, bon projet!

bien à vous,

Mathieu

Tagged with:

Pourquoi manger du bœuf?

Le » bœuf  » est un taureau castré. C’était une pratique courante autrefois pour rendre les mâles plus dociles à partir de leur puberté (12-15 mois). Plus calmes, ils étaient alors propices à l’attelage pour les travaux des champs. Aujourd’hui, cette pratique est encore largement répandue dans les pays où l’élevage reste extensif. En Belgique la castration a pratiquement disparu pour laisser place à l’élevage intensif du « Taurillons » Blanc Bleu Belge (BBB), engraissé dans des étables au cours de la seconde année d’élevage. Ces bovins sont principalement nourris aux aliments concentrés (céréales, maïs, soja…) afin de grossir rapidement et atteindre 600 kg à 20-24 mois. Cette pratique a vachement changé le paysage de notre région par le labour de prairies et la monoculture du maïs. L’ensilage d’herbes et la culture de maïs sont des techniques grandes consommatrices d’énergie fossile et d’intrants chimiques (engrais, pesticides).
L’élevage du bœuf est nettement plus lent, puisqu’il faut attendre 3 ans pour atteindre 700kg. Sans les hormones mâles, il est possible de l’élever avec les génisses (jeunes femelles). A la belle saison, contrairement au taurillon Blanc Bleu Belge, il est dans les pâturages et l’hiver, il est nourri aux foins et à la paille. L’apport de céréales équivaut à un petit dessert. Les prairies extensives classées en « Natura 2000 » conviennent parfaitement à ce type d’élevage.

Le rôle de l’éleveur est de soigner l’animal afin qu’il développe sa flore gastrique pour digérer la cellulose ( foins mûrs et pailles) et surtout, lors de la deuxième année, afin de lui assurer une immunité au parastisme auquel le paturage l’expose. Après voir acquis ces facultés, notre bœuf va développer une carcasse osseuse à taille adulte et c’est la troisième année qu’il va se muscler et mettre un peu de graisse dans la viande, ce qui va lui donner son persillé particulier.

Cette pratique d’élevage lent permet de mieux intégrer les cycles de la nature, par l’utilisation de prairies extensives qui favorise ainsi le développement de la biodiversité (fauche tardive qui permet aux oiseaux, aux insectes de terminer leurs cycles de reproduction).

Concilier agriculture et environnement demande aussi de concilier producteurs et consommateurs.

Faire du bœuf, c’est accepter de consommer des produits de saison!
En effet, la saison la plus propice pour tuer notre animal est l’automne, vu que celui-ci a pu profiter de l’herbage de tout l’été pour faire du muscle. L’herbe de l’automne le prépare à passer l’hiver en lui apportant de la graisse.C’est alors le moment de le sacrifier et de faire nos réserves de viande pour l’hiver.

Quelles sont les différentes étapes, de l’abattoir à votre assiette?

L’animal emmené à l’abattoir (par l’éleveur) est abattu. Sa carcasse demeure 15 jours en frigo pour permettre à la viande de maturer. Le travail du boucher consiste à découper la viande en plusieurs catégories différentes: côtes à l’os, entrecôtes, steaks, rostbeafs, carbonnades, américain, bouilli et haché pur bœuf. Ensuite, nous nous occupons de répartir les différents morceaux en petites parts pour former des colis de dix kilos. C’est alors que nous vous attendons nombreux pour vous partager ces trois cents kilos de viande.

Si vous souhaitez consommer du bœuf nourri à l’herbe, nous organisons des distributions régulièrement. La prochaine aura lieu le jeudi 7 décembre.

Pour tous renseignements:

Ferme du Hayon scrl.fs

6769 Sommethonne

tél 063/ 57 90 80

Email

Tagged with: